HENK VAN LAMBALGEN

van Nederland naar Japan vanFrankrijknaarSpanje Marokko Ladakh BangladeshenNoordoostIndia.html van Nederland naar India Jordanie
EEN FIETSTOCHT DOOR JORDANIË
(7 september – 6 oktober 1996; 1.450 km)

overzichtpagina || verslag || foto's

De eerste 25 kilometer van de vakantie zijn misschien wel het zwaarst. Na de trouwerij van een vriend heb ik slechts 2 uurtjes geslapen, daarna de vlucht en nu rij ik om vier uur ’s middags op de fiets van het vliegveld richting Amman. De temperatuur is drukkend, de tassen zijn nog niet goed ingepakt en de banden zijn slecht opgepompt want het pompje werkt niet helemaal goed. Na een paar kilometer wordt dit euvel in ieder geval verholpen. Bij een watertankstation staan een aantal trucks en kan ik met een electrische pomp de banden op de juiste spanning brengen.
Verder gaat het. Maar waar naar toe? Ik twijfel. Door naar het centrum van Amman, nog ruim 35 kilometer of naar een camping in een nationaal park, zo’n 20 kilometer verder. De benen, of is ’t het gemak, winnen het: vandaag maar zo snel mogelijk een overnachtingsplaats vinden en dan slapen.
De camping mag eigenlijk niet zo genoemd worden maar ik kan er in ieder geval mijn tent op zetten. Dat doe ik naast het huisje van een Egyptenaar die in het park werkt. Mijn fiets moet bij hem op de kamer, of ik nu wil of niet, want daar staat die veilig. Na wat gegeten te hebben komt de Egyptenaar naast me zitten. Net aangekomen is mijn Arabisch nog niet op z’n best. Wijzend op mijn tent zeg ik: “Me, bedu.” Hij lacht, kust me op de wang en noemt me zijn “barother”.

Het centrum van Amman ligt op 15 kilometer van mijn tent. Op en neer gaat het over het laatste stukje van de Desert Highway, de Woestijnweg. Aan het begin van een klimmetje staat een auto stil met pech. Met een ander toevallige voorbijganger duw ik de auto aan. Vandaag heb ik mijn goede daad alweer gedaan!

Amman is op zeven heuvels gebouwd. Met een razende vaart gaat het naar beneden naar het centrum om weer te klimmen naar de Jebel (berg) Al Qualqa’a. Op deze heuvel is een Romeinse ruïne te bezichtigen. Men is druk bezig met de restauratie. Onder een afdakje zit een groep mannen, allen met keffiyeh, met beitels grote stenen te bewerken. Het moeten wel vakmannen zijn want nergens zie ik voorbeelden hoe de stenen bewerkt moeten worden. Ze weten kennelijk precies wat ze moeten doen. Of doen ze juist maar wat?
Het uitzicht op de andere heuvels is mooi. Volgepakt met huizen lijkt er geen ruimte meer voor straten.

Nu de terugweg naar de camping. Nog niet goed bekend in Amman is die niet eenvoudig te vinden. Met wat dwalen, omrijden en vragen beland ik dan toch weer op het laatste stukje Woestijnweg dat nu opeens het eerste stukje is. Ik kom langs een klein stalletje met twee mooie grote koperen koffiepotten. De kopjes zijn echter heel klein, het cafeïnegehalte is er niet minder om.

Terug op de camping houdt de Egyptenaar me nog even gezelschap. Bij een klein kraantje buiten zijn huis kan ik me een beetje wassen. Een echte camping is het niet: er zijn geen douches, er zijn een paar toiletten maar zonder water. Wel heeft de camping een vriendelijke Egyptenaar en dat is toch veel meer waard.

Er zijn twee mogelijkheden om naar het zuiden te gaan. De makkelijkste is om de redelijk eenvoudig te fietsen Woestijnweg te nemen. Deze weg ligt aan de rand van de woestijn en biedt weinig tot geen afwisseling. In landschap althans, want in verkeer is er genoeg afwisseling. Dit in tegenstelling tot de Kings Highway, de Koningsweg. Alhoewel het landschap in het algemeen kaal en dor is, heeft het toch veel meer te bieden en is het in ieder geval rustiger. Doordat het heuvelachtiger is, is het wel zwaarder om te fietsen, maar daar moet ik niet over zeuren, want dan had ik de fiets maar thuis moeten laten.

Vanaf de camping volg ik een klein eindje de Woestijnweg tot de afslag Madaba. Hier pak ik een weg die beide highways met elkaar verbindt. Aan mijn rechterhand kom ik langs wat eenvoudige huisjes aan de rand van boomgaarden die hier dankzij irrigatie kunnen bestaan. Aan de andere kant van de weg is het een omgekeerde wereld. Achter een enorm groot betonnen huis, dat volledig ommuurd is, strekt zover het oog reikt één grote zand- en steenvlakte uit.

In Madaba staan minaretten naast kerktorens. Eén kerkje springt eruit. Niet vanwege de omvang maar vanwege een vloermozaïek. Het is een weergave van het Byzantijnse rijk in het Midden-Oosten met centraal afgebeeld Jeruzalem en de Heilige Grafkerk.
Niet ver van Madaba ligt de berg Nebo (Jebel Sagha). Vanaf deze berg werd Mozes het beloofde land getoond, zelf zou hij het niet betreden. Mozes moet een beter uitzicht gehad hebben dan ik. Veel verder dan de Dode Zee, die vlakbij ligt, kan ik niet kijken.

Na Madaba volg ik de koningsweg naar het zuiden. Hier komt al vast een voorproefje voor morgen: de Wadi Hidb. Een wadi is een droge rivierbedding en ligt in een kloof. Dat betekent een lekkere afdaling maar ook weer een pittige klim. Beneden in de kloof stroomt een klein beetje water en zodoende is er ook begroeiing.
Tegen het vallen van de avond bereik ik het plaatsje Dhiban. Als ik even stil sta, word ik gewenkt door een man die buiten voor het huis ligt. Of ik koffie wil. Dat gaat er wel in. Na twee kopjes informeer ik voorzichtig of er een overnachtingsplaats in de buurt is. Die is er niet maar van de heer des huizes mag ik mijn tent buiten op zijn erf opzetten. Ook hier moet mijn fiets binnen staan. Men is erg zorgzaam. En dus komt er ook eten. Het lijkt me dat het voor iedereen etenstijd is maar ik ben de enige die wat krijgt. En dat terwijl er een grote schaal met diverse gerechten voor me staat. Ik ben bescheiden en eet maar niet alles op.

De volgende ochtend als ik me binnen was klinkt er vanuit de woonkamer gelach op. Ik hoor dat de televisie aan staat en ben benieuwd welk Jordaans programma zo leuk is. Als ik de kamer binnen kom zie ik dat men niet naar een Jordaans programma kijkt maar ik zie Mr. Bean met zijn vriendin naar de bioscoop. Ook ik moet lachen, natuurlijk om Mr. Bean zelf maar nog meer omdat ik hier in Jordanië om zeven uur ’s ochtends bij vreemden naar dit programma kijk.
Na een ontbijtje met vers gebakken brood en labneh (een soort yoghurt of kwark) stap ik weer op de fiets.

Ik herinner me de woorden uit de Insight Guide: “Niets kan reizigers voorbereiden op de steile afdaling in de Wadi Mujib, (…).” Plotseling sta ik daar dan ook, haast uit het niets duikt de wadi op. Van bovenaf heb ik een magnifiek uitzicht. De diepe kloof met aan de overkant een plateau dat kaarsrecht afsteekt tegen de blauwe lucht. Vaag kan ik op de tegenover liggende helling een klein weggetje herkennen dat naar boven loopt.
Voor een nog beter uitzicht loop ik met de fiets een eindje van de weg af wat me direct een lekke band oplevert door een stukje glas. Nog steeds verrukt door het mooie uitzicht komt er zelfs geen boos woord over mijn lippen.
Het eerste stukje van de afdaling word ik gedwongen rustig aan te doen omdat er aan de weg wordt gewerkt en het asfalt is opgebroken. Daarna is de keus moeilijk: rustig genietend van de omgeving naar beneden rijden of je lekker naar beneden laten suizen waardoor je geconcentreerd op de weg het uitzicht ontgaat. De spanning van de hoge snelheid geeft me een nog grotere kick dan het uizicht en als een trein dender ik naar beneden.
In de kloof staat een postkantoortje. Erg veel klandizie zal de beambte niet hebben. En dan is er eindelijk eens iemand en dan wil die alleen maar water hebben in plaats van een postzegel. Water heb ik zeker nodig want het gaat omhoog: na een afdaling van 900 meter volgt er een klim van ook weer 900 meter. En dat in de brandende zon! Onderweg stop ik een aantal keer om van het uitzicht te genieten en een foto te maken. Of is het een goede smoes om even uit te rusten?

Na de inspannende klim kom ik boven op een kale, rode steen- en zandvlakte. Nog even kijk ik om naar de kaarsrechte afscheiding van het plateau aan de andere kant van de kloof waar ik zo’n twee uur geleden stond.
In het eerstvolgende dorpje hoop ik wat te kunnen eten. Er is echter alleen maar een winkeltje waar van alles en nog wat verkocht wordt maar weinig eetbaars. Het blijft bij een paar droge koeken die al even over de uiterste houdbaarheidsdatum heen zijn. Om de inwendige mens echt te versterken moet ik ‘m eerst flink op de proef stellen: een restaurant laat nog geruime tijd op zich wachten.
Na de maaltijd word ik even verderop door een grote groep schoolkinderen tot stoppen gedwongen en maak ik een praatje met hun lerares Engels. Vijfhonderd meter verderop word ik door een man geroepen en moet ik thee komen drinken. Zo schiet het natuurlijk niet echt op maar ik maak niettemin dankbaar gebruik van deze gastvrijheid. In een kale kamer met een grote stapel kussens en een tv drinken we thee. Langzaam durven een paar vrouwen de kamer te betreden totdat er een bus stopt en de broer van mijn gastheer thuiskomt. Opeens zijn de vrouwen weg om kort daarop weer even voorzichtig om het hoekje te komen kijken.

Ik moet weer verder want ik heb nog een eind voor de boeg. Al Mazra’a aan de zuidpunt van de Dode Zee moet de eindbestemming van vandaag worden. Bij Al Kerak ga ik van de Koningsweg af richting het laagste punt ter aarde. De laatste dertig kilometer van de dag gaan wel heel erg eenvoudig, het gaat van zo’n 800 meter bòven naar 400 meter ònder de zeespiegel. Een lange afdaling maar op deze brede, goed geasfalteerde weg gaat het heel snel. Mijn maximumsnelheid wordt enigszins beperkt door de vele bochten in de weg maar ligt nog altijd ruim boven de 70 kilometer per uur. Misschien wat onverantwoord maar wel heel erg fantastisch!
Onderweg moet ik nog wel even stoppen bij een politiecheckpoint. Gelukkig controleren zij slechts op de identiteit van de persoon en niet op de snelheid. Op het laatste stuk van de afdaling passeer ik mooie rotspartijen en hier en daar staan bedoeïenententen.

In een winkeltje informeer ik naar een overnachtingsmogelijkheid maar natuurlijk is er in Al Mazra’a geen hotel of guest house. Een jongen die in de winkel staat biedt me aan om bij hem thuis te overnachten. De fiets wordt op een pick-up geladen en we rijden naar zijn huis. Het is een mooi groot huis met een flink stuk grond er omheen waar o.a. rubberbomen en suikerriet staan. De jongen bezit samen met zijn vader een aantal plantages. Afhankelijk van het seizoen hebben zij 40 tot 150 werknemers in dienst.
Na wat gegeten te hebben gaan we de arbeiders van het land halen met de pick-up. Iedereen wordt netjes thuis gebracht en krijgt ook nog een paar platte, ronde broden mee. De jongen gaat met zijn vader mee naar huis en ik overnacht op een winderig balkon van het huis van de jongen.
De volgende ochtend is het nog maar een klein eindje naar de Dode Zee. Veel is hier niet te beleven en erg aantrekkelijk is het ook niet om op deze plek het water in te gaan. Er is geen strand, slechts een modderige vlakte. Maar ja, nu ik dan bij de Dode Zee ben moet ik er toch maar wel in, of beter gezegd “er op”. Zou ik echt blijven drijven? Het water is hier niet stil maar golft aardig. Door de modder loop ik naar het water en ga op mijn rug liggen. Het is kouder dan ik dacht en met die golfjes lig ik niet comfortabel. Dit is niet echt wat ik verwachtte. Zou het 80 kilometer noordelijker, waar bij Suwayma een rest house met strand is, echt beter zijn? Binnen vijf minuten sta ik weer op de kant en probeer ik het zout van me af te schuren.

Het traject terug naar Al Kerak besluit ik maar te liften. Deze dertig kilometer zouden me de rest van de ochtend kosten en tijd de is beperkt als je op vakantie bent. Dus besteed ik de rest van de ochtend in Al Kerak waar ik het kasteel bezichtig dat het uitzicht reeds van verre domineert. Het kasteel is in de 12e eeuw gebouwd door kruisridders om de route naar de heilige stad te beschermen.
Al Kerak is een levendige stad. In de bazar eet ik kebab met rijst en ik koop een keffiyeh als hoofdbescherming tegen de felle zon.

Na een pittig klimmetje kom ik in Mazar. In een winkeltje zegt de verkoper dat het nu alleen nog maar naar beneden gaat. Waarschijnlijk is hij nooit verder dan het dal in Wadi Hasa geweest. Omhoog gaat het weer. Terwijl de zon langzaam aan het zakken is, ga ik langzaam omhoog. Als ik eindelijk de wadi uit ben begint het te schemeren. In het plaatsje waar ik doorkom vraag ik een paar mannen of ik ergens kan overnachten. Het antwoord is onbevredigend. Ik rij door naar Al Tafila en kom daar in het donker aan.
Het hotel waar ik overnacht stelt weinig voor en ik moet flink onderhandelen om op een enigszins redelijke te komen. Als ik dan niet mijn paspoort wil afgeven en wel mijn fiets op mijn kamer zet wordt de receptionist boos. Ik houd voet bij stuk en ’s avonds moet de eigenaar van het hotel uitsluitsel geven of ik mijn paspoort en fiets die nacht bij me mag houden. De eigenaar heeft geen zin om zich er druk over te maken en dus blijven de fiets en het paspoort waar ze zijn. De klant is koning, maar wat anders kan je op de Koningsweg verwachten.

Met een nuchtere maag kijk ik recht tegen de koppen van een aantal geiten aan. Niets bijzonders maar in dit geval toch niet echt prettig om naar te kijken. De geiten hangen aan een haak met de kop naar beneden en zijn gevild. Is de aanblik zelf nog wel te doen, de stank is afschrikwekkend. Toch eet ik nog maar wat alvorens ik Al Tafila uit rij: een bakje hoummous (een kikkererwtenpasta) met brood en thee als ontbijt.

Rond de steden en dorpjes is er wel wat verkeer. Verder is de Koningsweg heel rustig. Af en toe komt er een vrachtwagen langs, of een bus of huurauto met toeristen. De weg is geasfalteerd en het rijdt dan ook heerlijk. De afstanden tussen de dorpjes en steden zijn niet erg groot. In vrijwel elk dorpje is er wel een winkeltje en restaurantje. De omgeving blijft dor en kaal maar toch ook indrukwekkend. Vanaf Dana is het tot Shobak vrijwel alleen dalen.

Buiten Shobak ligt op een heuvel een 12e eeuws kasteel. Iets voorbij het kasteel staan een paar bedoeïenententen. Het is het eind van de middag en het zou een mooie plek zijn om mijn tent op te zetten. Bij de tenten zijn alleen een paar vrouwen en kinderen. Het is me niet duidelijk of ik mijn tent wel of niet mag op zetten tot de oudste van de vrouwen met haar armen de plaats aangeeft waar mijn tent kan staan. Ze helpt me zelfs bij het opzetten! Nog voor ik de tent heb staan komen er een aantal mannen thuis. Ik moet in de tent komen en krijg thee aangeboden. Na een poosje gezeten te hebben maakt één van de mannen me duidelijk dat ik mijn tent moet opbreken. Ik ben even bang dat ik weg moet, maar in tegendeel. Ik mag blijven en moet bij hen in de tent overnachten.
Twee van de mannen spreken een klein beetje Engels. Ze zien er in hun lange gewaden en witte hoofddoeken heel statig uit.
Het leven van de bedoeïnen is een mengeling van oude tradities en hedendaagse zaken. Zo wonen ze in tenten, zoals hun voorvaderen dat 2.000 jaar geleden ook al deden. In plaats van kamelen als vervoermiddel beschikken deze bedoeïnen over een pick-up truck. Dat blijkt dan een heel nuttig bezit en niet slechts als vervoermiddel.
Met een grote stofwolk achter zich aan komen een paar bedoeïnenmannen met de pick-up truck thuis. Direct wordt er een oud televisietoestelletje tevoorschijn gehaald en op de accu van de auto aangesloten. Even later kijken we met z’n alleen tv.
De “heer des huizes” komt even later de tent binnen. Hij vertelt trots dat hij drie vrouwen heeft en bewijst dit met zijn paspoort. Elk van de drie de vrouwen staat er met een pasfoto in. Twee van zijn vrouwen zijn al wat ouder en hebben zwarte en blauwe tatoeages op het gezicht. De derde vrouw is nog jong. Hij maakt dan ook duidelijk dat als de ene vrouw te oud wordt het tijd is om een jonge vrouw te nemen.
Nadat de film is afgelopen is het etenstijd. De tv gaat dan ook uit. Het eten bestaat uit een soort gevulde tomatensoep met brood. Nadat ik met twee mannen en een jongen gegeten heb gaan de anderen eten.
Na het eten wordt er nog wat tv gekeken. Iedereen zit op kussens en omdat ik dat niet gewend ben en last van mijn benen krijg ga ik een paar keer verzitten. Als ik met mijn benen opgetrokken zit en mijn armen er omheen sla denkt één van de mannen dat ik het koud heb. Hij pakt een dikke jas en slaat die om me heen. Als ik even later gaap, vindt men dat het tijd voor me is om naar bed te gaan. Er wordt van de kussens een matras gemaakt. Ik krijg een paar dekens aangeboden maar slaap toch liever in mijn eigen slaapzak.

De tent is aan één kant open en bestaat uit drie ruimtes die afgescheiden zijn door zware kleden. Deze kleden van hetzelfde materiaal als de tent zelf, ze zijn geweven van geitenhaar. In de eerste ruimte slapen de mannen, in de tweede ruimte slapen de vrouwen en wordt gekookt, de derde ruimte is een opslagplaats en rommelhok. De mannenruimte wordt ook als woonkamer gebruikt, hier wordt door iedereen televisie gekeken en ook de vrouwen drinken er thee.
Alhoewel deze bedoeïenen een auto en ook een tv hebben is het leven sober. Electriciteit en stromend water hebben ze niet.

De volgende ochtend bedank ik de familie hartelijk voor hun gastvrijheid. Het is van hier nog maar een klein ritje naar Petra. De oude stad Petra was een zeer belangrijke
handelsstad in de tijd van de Nabateeërs, zo’n 2.000 jaar geleden. De stad ligt in een dal omringd door bergen en is eigenlijk alleen toegankelijk via een smalle kloof, de siq. De gebouwen in Petra zijn, op een paar na, allemaal in de zachte zandstenen rotsen uitgehouwen, niet slechts holwoningen maar ook zeer fraai gebeeldhouwde bouwwerken met pilaren en veel versieringen. De kleurenpracht van de rotsen maakt het tot een sprookjesachtige omgeving.
Alleen al de wandeling door de ruim één kilometer lange siq is de moeite waard. Na iedere bocht is het weer “oh” en “ah” vanwege het kleurenspel en de grilligheid van de rotsen, zeker als de zon door weet te dringen in deze nauwe kloof. Vlak voor het eind van de siq kan een glimp opgevangen worden van één van de mooiste bouwwerken in Petra, het al-Kazneh. In de rots is een schitterende voorgevel uitgehouwen, compleet met pilaren en versierselen. Waar dit bouwwerk precies voor diende weet men niet, het kan een schatkamer geweest zijn, een graftombe of een tempel.

Drie dagen blijf ik in Petra. Ik heb genoeg tijd om ook de buitengebieden van Petra te bezoeken en beklim ook de 1.350 meter hoge Jebel Harun. Er is een paadje dat
naar de top voert maar dat raak ik kwijt en daardoor wordt het een pittige klim.

De Koningsweg komt een kleine veertig kilometer na Petra op Woestijnweg uit. Het laatste traject van de Woestijnweg is tweebaans. Gelukkig is er een vluchtstrook waarop goed te fietsen valt. Het meeste verkeer bestaat uit grote trucks. Bij vlagen is het druk. Het uitzicht is weids en ik stap even af om voor de eerste maal in mijn leven woestijnzand te voelen.

Ik neem de afslag naar Wadi Rum, een klein dorpje van waaruit woestijntochten gemaakt kunnen worden. De volgende dag zit dan ook in een jeep met twee (Oost)-Duitse jongens en een Japans stelletje. Helaas komt tegen de middag de wind op zetten die een mist van stof en zand veroorzaakt waardoor ons het uitzicht enigszins wordt ontnomen.

Het laatste stukje naar Aqaba gaat als een trein, want voornamelijk naar beneden. Op de een-na-laatste heuvel zie ik Aqaba al liggen. Op de laatste heuvel blijkt dit niet Aqaba maar Eilat te zijn, Aqaba ligt er pal naast en is pas nu zichtbaar. Twee badplaatsen op een steenworp van elkaar maar een wereld van verschil. Het Israëlische Eilat, bijna meer westers dan het Westen en het Jordaanse Aqaba waar vrouwen gekleed het water in gaan en mannen door gaten in een schutting vrouwen bespieden die in badkleding liggen te zonnen op een privé-strand van een hotel.

Anderhalve dag rust. Een beetje zwemmen, zonnen en snorkelen bij het Royal Dive Center. Vanaf het Dive Center is het nog een dikke tien kilometer naar de grens met Saoedi-Arabië. Van de Jordaanse grenswachten mag ik de grens over. Maar kom ik dan ook weer terug? In plaats van de grens over te gaan, drink ik maar een kopje thee met een paar douanebeambten.

Vanaf het uiterste zuiden gaat het weer richting het noorden. Om niet twee maal hetzelfde traject te fietsen, maar ook vooral omdat ik de tijd beter kan gebruiken in Syrië waar ik na Jordanië naar toe wil, besluit ik van Aqaba naar Ma’an te liften. Daar gaat een weg de woestijn in naar Azraq. Een interessant traject lijkt me. Aangezien mijn kaart het traject vanaf het gehucht Al Jafr tot aan Azraq als “in aanbouw” aangeeft, informeer ik in Ma’an of dit traject wel te fietsen valt. Een politieman vertelt me dat de weg goed is, alleen het weer is slecht, er staat veel wind.
Ik koop een jerrycan van 5 liter, vul deze met water, evenals de bidons en neem nog twee flessen mineraalwater mee. Zo hoef ik in ieder geval niet van de dorst om te komen.
Er staat inderdaad veel wind, heel veel wind. Aangezien ik die in de rug heb, geniet ik er met volle teugen van en denk nog maar niet na hoe het straks zal zijn als de weg een grote bocht maakt. Zonder er veel voor hoeven te doen, zoef ik met een snelheid van meer dan 40 kilometer per uur over de weg die door de uitgestrekte vlakte loopt. Ik passeer een bord met daarop twee pijlen, bij de pijl naar rechts staat Irak aangegeven, bij de pijl naar links Saoedi-Arabië. Mijn topografische kennis zegt dat het juist andersom zou moeten. Een eind verder maakt de weg naar links een grote bocht en gaat die onder de weg naar rechts door en zo klopt het toch weer.
Nog voor Al Jafr draait de weg met een grote bocht naar het noorden. Dat betekent dat ik de wind nu niet meer van achteren heb. De snelheid zakt en de eerste zandkorrels zitten, ondanks mijn gletsjerbril, al achter mijn lenzen. Ik bedek mijn hoofd volledig met de keffiyeh die ik in Al Kerak heb gekocht. Zo probeer ik te voorkomen dat er nog meer zand in mijn ogen kan komen.
De snelheid valt terug tot 7 kilometer per uur en in mijn ogen ontstaat toch een zandbak. Het zicht wordt ook minder en dat niet alleen vanwege het zand in mijn ogen. Ik zit in een heuse zandstorm met een zicht van minder dan 100 meter. Dit is geen doen. Het is nog dik 200 kilometer naar Azraq en met dit tempo doe ik daar 3 dagen over. Afgezien dat het teveel tijd vergt tijdens deze vakantie kan ik er ook de lol niet van inzien om verder te fietsen. Opeens doemen er twee trucks op die langs de kant van de weg staan, het zijn Irakese olietrucks. De ene gaat naar Aqaba, van de ander krijg ik een lift. De chauffeur vertelt me dat de weg met Irakees geld is aangelegd omdat dit de enige mogelijkheid is om goederen aan- en af te voeren. Volgens mij is dat met de geldende boycot helemaal niet toegestaan.

Azraq is een oase en zodoende is er een stadje ontstaan. Het heeft een kasteel waar Lawrence of Arabia zijn hoofdkwartier had. Azraq is ook een echte doorgangsstad. Er zijn veel hotelletjes. Reizigers uit de golfstaten die op weg zijn naar Syrië en Turkije en omgekeerd, stoppen hier om te eten of te overnachten. Haast iedereen rijdt in grote Amerikaanse sleeën die afgeladen vol zitten met goederen, ook de imperiaal is helemaal volgestouwd. Het lijkt wel of men aan het verhuizen is.
De oase is opgedroogd tot een klein plasje en een grote zandvlakte met lage struikjes en hoog gras. Ik verwonder me erover dat men zo’n belangrijk gebied zo heeft kunnen laten vervallen. Even later komen er een aantal auto’s aanrijden waaruit een cameraploeg en een aantal mannen in pak met stropdas stappen. Die mannen moeten wel belangrijk zijn. Het blijkt een minister te zijn die eens poolshoogte komt nemen. Hopelijk is het nog niet te laat.
Azraq is nog een andere trieste plaats rijk: het Shaumari Wildreservaat waarin de in Jordanië reeds uitgestorven Arabische Oryx leeft. De oryxen hebben nog wel de ruimte, dit in tegenstelling tot een paar struisvogels, gezellen en onagers (een soort ezel) die in lange smalle hokken ijsberen.
In een klein museumpje hangen vergeelde foto’s en staan een paar opgezette vogeltjes. Het reservaat wordt ondersteund door het Wereld Natuur Fonds maar ik vermoed dat de laatste bijdrage al lang geleden is overgemaakt.

Ruim 100 kilometer woestijn scheidt Azraq van Amman. Eén grote vlakte, hier en daar licht heuvelachtig. Eentonig maar zeker niet vervelend. De goede asfaltweg leidt me nog langs twee leuke woestijnkastelen. Verder is het zand, steen en in de verte de horizon.
Af en toe passeert een auto. Als ik ingehaald word door een luxe aircon-bus met toeristen voel ik me de koning te rijk op mijn fiets. De inzittenden missen de intense ervaring van de woestijn.

In Amman wacht een tegenslag. Visa voor Syrië worden niet afgegeven. Want owee, je zou in Israël geweest zijn. Men kent geen pardon, ook niet als ik mijn ticket laat zien waarop staat dat mijn terugvlucht vanuit Aleppo vertrekt. En dus vlieg ik niet terug vanuit Aleppo!
Doelloos fiets ik nog wat rond en beklim één van de heuvels. In een steegje word ik door mensen uitgenodigd om thee te drinken en er wordt zelfs eten voor me gebracht. Onderweg in de dorpjes langs de Koningsweg gebeurde het geregeld dat men me thee aanbood. Hier in de stad had ik dit niet verwacht. De gastvrijheid van de Jordaniërs is ongekend.

Nu ik niet naar Syrië kan moeten de plannen worden gewijzigd. Via Jerash wil ik terug naar de Dode Zee en dan naar Israël waar ik dan de laatste week zal doorbrengen. De tocht naar Jerash begint met een flinke afdaling om Amman uit te komen. In plaats van de grote weg wil ik via klein weggetjes naar Jerash. Net buiten Amman vraag ik bij een koffiestalletje de weg naar Abu Nasr. Er wordt rechtdoor gewezen en dan naar links. Verbaasd kijk ik die richting op. Op mijn kaart staat Abu Nasr namelijk rechts van de hoofdweg aangegeven. Misschien spreek ik de plaatsnaam verkeerd uit en daarom herhaal ik mijn bestemming met kleine accentverschillen in de hoop dat er een goede uitspraak tussen zit. Het groepje mannen dat zich om me heeft gevormd blijft dezelfde richting op wijzen. Dan pak ik de kaart er maar eens bij om de plaats aan te wijzen. Mijn vinger gaat naar het puntje waar ik heen wil en lees … Abu Nusayr. De mannen moeten hartelijk lachen als ze het lezen. Ik heb de plaatsnaam verkeerd onthouden en dat zorgt voor de verwarring. Ik wil naar Abu Nusayr en dat is hier de weg in rechts terwijl rechtdoor en dan naar links een man woont die Abu Nasr heet!
De weg binnendoor klimt en daalt met hier en daar flink steile hellingen. Het is vermoeiend maar een heerlijke en bevredigende vermoeidheid. Het landschap in het noorden is groener en een verademing na de kale en dorre vlaktes die ik tot dan toe heb gezien.

Het eerste wat ik doe als ik in Jerash aankom is mijn visum verlengen. Ik heb totaal niet opgelet hoe lang die geldig was. In plaats van de maand die ik verwachtte is het visum slechts twee weken geldig. Ik ben vijf dagen over tijd en dat kost me vijf dinar, een kleine 15 gulden, en een hele tijd wachten. De verantwoordelijk persoon is namelijk niet aanwezig en ik kan dan maar beter morgen terugkomen. Maar morgen is er natuurlijk weer wat anders dus ik wil het nu gedaan hebben. En dat kost tijd.
Ik overnacht bij het visitors center van de oude stad tussen twee souvenirstalletjes. Zodoende ben ik de volgende dag de eerste bezoeker, zelfs nog voordat het toegangsloket open is. Als ik na afloop alsnog wil betalen hoeft dat, zelfs na aandringen, niet!

Jerash is een oude Grieks-Romeinse stad met zeer goed bewaarde monumenten. Ik kom binnen op het Ovale Forum, een groot plein omgeven met een fraaie zuilenrij. Van het plein gaat het verder over de cardo, de 800 meter lange hoofdweg met aan beide zijden een zuilenrij. Het punt waar de cardo uitkomt op het Ovale Forum vind ik één van de mooiste plekjes van Jerash. De ene kant geeft uitzicht op het forum met daarachter op een heuvel een amfitheater. De andere kant op kijkend zie ik de cardo, de oude hoofdweg, met aan beide zijden zuilenrijen die elkaar aan het eind lijken te raken. In het oude plaveisel van de cardo zijn de sporen die de karren hebben uitgeslepen nog duidelijk te zien.

Na de oude stad bezichtigd te hebben stap ik weer op de fiets. Ik hou het bij een kort ritje dat toch nog pittig is door het klimmen tegen de heuvels op én door opkomende maagklachten. Ik overnacht bij het resthouse van het Dibbin National Park.
Het noorden is heuvelachtig en groen, een mooie omgeving om te fietsen. De volgende ochtend heb ik een fraai uitzicht op het dal waar de mist langzaam uit verdwijnt met op de achtergrond begroeide heuvels. Het is fantastisch en ik geniet met volle teugen tot het moment dat ik ergens wat wil betalen en mijn portemonnaie niet kan vinden. Is die gestolen of ben ik ‘m verloren? Ik weet het niet en kan me ook geen plek of situatie herinneren waar iets dergelijks gebeurd kan zijn. Ik krijg een lift terug naar het park maar vind mijn portemonnee daar ook niet. Veel zat er nu ook weer niet in maar het irriteert me toch dat ik ‘m kwijt ben. Bovendien kost het zo allemaal extra tijd en dat terwijl ik een redelijk lange tocht voor de boeg heb en ook nog een kasteel wil bezichtigen. Getergd ga ik verder. Al fietsend trap ik bij iedere pedaalslag een stuk irritatie weg. Het mooie weer en de schitterende omgeving helpen daarbij een handje.
In Anjara zie ik het kasteel in Ajlun al liggen op een heuveltop. De weg maakt een slinger naar het kasteel. Naar Ajlun is het dalen maar van het stadje naar het kasteel gaat het weer omhoog. Een korte, stevige klim.
Het kasteel toont rommelig. Het uitzicht is daarentegen weer fantastisch. Een filmploeg is bezig met opnames voor een film over Sinbad. De acteurs in hun middeleeuwse kledij zouden een authentieke sfeer kunnen creëren maar hun knauwerige Amerikaanse accent verhinderd dat.

Ik moet terug weer via Anjara en koop in een winkeltje een nieuwe portemonnee. Ik ben nog geen drie minuten binnen. Als ik terugkom bij mijn fiets is mijn zonnebril die ik op de bagage op de achterdrager had gelegd, weg. Ik kijk rond of ik iemand er mee zie en vraag mensen of ze iemand hebben gezien die de bril heeft gepakt. Niemand weet van iets en iemand verwijst me naar de politie. Op dat moment komt er net een politieauto langs. Ik overleg bij mezelf of het de moeite loont. Die zonnebril ben ik gewoon kwijt, niemand die ‘m nog vindt, daar ga ik geen tijd aan opofferen. Zodoende wil ik op mijn fietscomputertje kijken hoe laat het inmiddels is. Tot mijn verbijstering bemerk ik dat ook de fietscomputer weg is. Nu word ik dan toch wel erg boos. Enerzijds dat het gestolen is, anderzijds dat ik zo onoplettend was. Maar onoplettend word je haast vanzelf want iedereen is zo vriendelijk en gastvrij en je hebt nooit het gevoel dat er iets gestolen zou kunnen worden. De politie is nog niet weg en ik vertel ze van de diefstal. Ze adviseren me om rustig te wachten. Rustig wachten? Wat is dat nou voor advies?! Ik raak er alleen nog maar meer geïrriteerd door.
Toch luister ik maar naar de politieman. Na een uur rustig gewacht hebben is mijn geduld over. Ik accepteer het verlies en stap op de fiets om verder te gaan. Honderd meter verder passeer ik een optochtje van mannen en jongens. Een paar jongelui gooien stenen achter me aan. Als het tegen zit dan gaat er ook van alles fout. Of toch niet? Ik word door een auto ingehaald. De bestuurder maakt me duidelijk dat een jongetje heeft gezien dat iets van me gestolen werd. Ik moet mee terug komen en weer rustig wachten. En half uurtje later komt de politie en moet ik mee terug naar Ajlun. Daar op het politiebureau zitten twee jongetjes en liggen mijn zonnebril en fietscomputer. De jongetjes worden stevig beet gepakt door een politieman en er rollen een paar tranen over de wangen. Ik krijg zowaar nog medelijden. De jochies bieden hun excuses aan en ik kan weer verder.

Vanaf Anjara is het nog een keertje wat klimmen om daarna opnieuw naar de Jordaanvallei af te dalen. Nu rollen bij mij de tranen over de wangen. Niet omdat ik zo geëmotioneerd ben maar door de hoge snelheid in de afdaling.
Het is het eind van de dag en ik moet nog 60 kilometer om het rest house aan de Dode Zee te bereiken. Ik wil daar vandaag nog zijn, ook al moet ik in het donker rijden. Zo zit ik dan nog twee uur na het ondergaan van de zon op de fiets. Bij de weinige auto’s die passeren duik ik de berm in want verlichting heb ik niet op de fiets. Een hond die van de andere kant van de weg komt om mij achterna te zitten doet dat niet en wordt geschept door een auto. Als ik omkijk zie ik de hond in het schijnsel van de autolampen over de weg schuiven.

De volgende ochtend kan ik min of meer onverwacht toch nog echt van de Dode Zee genieten. Nu wel rustig op mijn rug dobberend en een krantje lezend. Hier bij het rest house van Suwayma is wel een strand en zijn er douches om het zout van je af te spoelen. Het idee dat ik van de Dode Zee had klopt toch wel, maar je moet er wel voor op de juiste plaats zijn.

Nog even en ik kan Jordanië gedag zeggen. Ik wil Israël binnen fietsen maar dat pleziertje wordt me niet gegund. Ik mag de grens alleen in een speciale pendelbus oversteken.
De formaliteiten aan de Jordaanse zijde van de grens stellen niets voor. De grens is op de Allenby of King Hoessein Bridge, die over de Jordaan gaat. Bij de Jordaan stel ik me een grote, brede rivier voor maar het is klein, smal stroompje.
Bij de Israëlische douane moet ik mijn fiets zelfs uit elkaar halen omdat die niet door het röntgenapparaat kan. Aan de andere kant van het röntgenapparaat mis ik opeens een tas. Terwijl iedereen uit de bus al vertrokken is wordt ik apart genomen in een kamertje waar op een tafel mijn tas staat. Een vrouwelijke beambte haalt met plastic handschoenen aan, haalt de bovenste voorwerpen uit mijn tas. “Is dit uw tas?”, wordt me gevraagd. “Wie heeft die tas ingepakt?” “Zitten er drugs in?” Het is een gewoon routineonderzoek maar echt helemaal op mijn gemak voel ik me toch niet. Een erg grondig onderzoek is het nu ook weer niet en even later sta ik dan ook weer gewoon buiten.

Ik rij Jericho binnen. Het is er verlaten. Zo verlaten dat er ook echt niemand op straat is. Alle winkels zijn gesloten. Er blijkt een staking te zijn. Ik mag Jericho gelukkig wel uit, maar niemand komt er meer in. Het is nog zo’n veertig kilometer naar Jeruzalem, alleen zijn het niet de makkelijkste kilometers. Dat realiseer ik me pas goed als ik een bordje “Sea Level” passeer. Vanuit de Jordaanvallei gaat het omhoog naar Jeruzalem dat op zo’n 800 meter ligt. Na een vermoeiende klim kom ik opnieuw in het donker aan. Hiermee zitten de laatste kilometers van de reis erop. De laatste week zal ik gebruiken om Jeruzalem te bekijken. De fiets heeft me bijna heel Jordanië laten zien. Hier in Jeruzalem zal ik ‘m niet veel meer gebruiken.

overzichtpagina || verslag || foto's









terug naar boven

© 2011 Mijn-eigen-website.nl