HENK VAN LAMBALGEN

van Nederland naar Japan vanFrankrijknaarSpanje Marokko Ladakh BangladeshenNoordoostIndia.html van Nederland naar India Jordanie
OP DE FIETS DOOR DE INDIASE HIMALAYA
(5 augustus – 27 september 2003; 2.597 km)

overzichtpagina || foto's || verslag

DE BERGEN TUSSEN HET RODE FORT EN
DE GOUDEN TEMPEL

een verslag van een fietstocht door de Himalaya:
Delhi – Shimla – Kinnaur – Spiti – Lahaul – Leh – Srinagar – Amritsar

De reis begon met wat vertraging. Door enige nonchalance van mij was al op de tweede dag van mijn verblijf in India, nog voor de eerste groep zou arriveren, mijn geldbuidel met o.a. paspoort, vliegticket, wat contant geld en credit cards gestolen. De credit cards had ik direct laten blokkeren en er zou een nieuwe visa card naar Delhi gestolen worden. Ook vrijwel direct had ik een nieuw paspoort aangevraagd, het zou drie weken kosten voor ik het nieuwe paspoort in ontvangst zou kunnen nemen, dus pas na de groepsreis. Dat leverde geen problemen op, wel verwachtte ik problemen bij het aanvragen van een nieuw visum, dit zou ook nog wel eens wat tijd kunnen kosten. De Indiase bureaucratie verraste me echter weer eens, zij het nu in positieve zin! Binnen anderhalf uur en zonder kosten kreeg ik een stempel in m'n nieuwe paspoort dat refereerde aan mijn oude visum. Dat betekende dat ik de volgende dag weg zou kunnen. Het pinnen van geld met m'n nieuwe credit card kostte die ochtend nog wel wat problemen omdat de kaart nog geactiveerd moest worden, iets wat ik niet wist. Dat gaf dus nog wat irritatie bij de ATM toen die weigerde om me geld te geven. Maar ook dat kwam goed en dus vertrok ik op 5 augustus, tegen 11:30 uur, dan eindelijk al fietsend richting Ladakh. Eerst door de drukte van Delhi. Een wirwar van fietsen, riksja's en auto's; motorriksja's die me inhaalden en dan direct afsneden omdat een passagier uit moest stappen; drie olifanten die de, sommigen wel bekende, Asaf Ali Road over kuierden; langs het Rode Fort; een brug onderdoor waar op een richel zwervers lagen te slapen terwijl het verkeer hen op nog geen halve meter passeerde; en dan de Yamuna over. Precies de omgekeerde route die ik drie jaar ervoor reed toen ik Delhi binnen kwam. Zo snel mogelijk verliet ik de drukke National Highway (NH) om via wat rustigere wegen naar de bergen te rijden. Het was een lekker gevoel weer op de fiets te zitten, helemaal met de gedachte dat ik straks in de bergen zou rijden. Niettemin genoot ik ook van de vlakke etappes: de kleine winkeltjes en stalletjes langs de weg; de mensen die op het werk zijn; tempeltjes in de berm; alles zo herkenbaar van vorige fietsreizen in India. Het was overigens mijn tweede fietstocht dit jaar in India. In februari en maart had ik een tocht vanuit Calcutta gemaakt, door Bangladesh heen naar het noord-oosten van India, door de deelstaten Tripura, Assam en Meghalaya.

De eerste nacht kreeg ik onderdak van een gastvrije dominee; de derde nacht sliep ik in een gurudwara, een Sikh tempel. De gurudwara's bieden onderdak en voedsel voor iedereen en aangezien er geen beter onderdak was zocht ik mijn toevlucht tot een gurudwara. Dat is niet helemaal optimaal. Niet omdat ik op de veranda moest slapen maar meer omdat al om 4:30 uur een bandje met gebeden werd aangezet. En dat terwijl ik goed uitgerust aan de eerste klim-etappe had willen beginnen. De eerste kilometers omhoog gingen nog wel maar al snel begon ik toch te twijfelen of ik ooit over de passen op weg naar Leh zou kunnen komen. Die twijfel duurde een paar uur, toen er een wat vlakker traject volgde kwam ik beter in vorm en in volgende 2 dagen reed ik redelijk gemakkelijk naar Shimla, op zo'n 2.200 meter. Na 6 dagen fietsen was het tijd voor een rustdag. In 2000 was ik al in Shimla geweest en de eerste 13 kilometer na Shimla had ik ook toen al gereden, een pittig stukje naar Kufri op 2.500 meter. Daarna ging het geleidelijk en gemakkelijk verder naar Narkanda op 2.700 meter. Van Narkanda daalde het af naar de Sutlej rivier en daarmee kwam ik dan ook in Kinnaur. De afdaling was redelijk spectaculair omdat het van 2.700 meter in één keer naar iets meer dan 900 meter ging. Regelmatig moest ik stoppen om m'n velgen af te laten koelen!

Het begin van de Kinnaur vallei was nog breed en groen en ik passeerde veel dorpjes. De weg volgde de Sutlej rivier stroomopwaarts, hierdoor werd er geleidelijk geklommen en kon ik redelijk ontspannen fietsen.

Op het laagland van India en in het voorgebergte van de Himalaya was het nog moesson, dat is een nadeel van deze periode maar het is niet anders. Tijdens de drie vlakke etappes had ik gelukkig geen regen gehad, wel was het benauwd geweest maar daar was ik, na al een maandje in India te zijn, aan gewend. Op de eerste dag dat ik in de bergen was had ik een regenbui gehad en dat was eigenlijk wel heerlijk verfrissend. Na Rampur kreeg ik echter te maken met een serieuzer probleem die de moesson met zich mee kan brengen: een aardverschuiving. Over een stuk van zo'n 100 meter was de weg volkomen weg geslagen. Inmiddels was er een kabelbaantje gemaakt waarmee goederen, en ook mijn fiets en bagage werd overgebracht. Zelf moest ik eerst een eind klimmen, tot boven de aardverschuiving om daarna weer naar de weg af te dalen.

Vanuit de vallei maakte ik, min of meer per ongeluk, een uitstapje naar de Sangla vallei, een klim van zo'n 800 meter. Een goede training en een mooie route, alleen jammer dat het mistig en bewolkt was. In Recong Peo, een klimmetje van zo’n zes kilometer uit de vallei, moest ik een permit halen voor het resterende deel van Kinnaur en een deel van Spiti. De route gaat namelijk erg dicht langs de grens met Tibet (China). Vanuit Recong Peo maakte ik nog maar eens een mooi trainingsritje naar Kalpa, op bijna 3.000 meter en zo'n 700 meter hoger dan Recong Peo.

Het gebied voor Recong Peo was voornamelijk hinduïstisch, dit veranderde na Recong Peo. Eerst was het nog een mix van hinduïsme en buddhisme, daarna, eigenlijk pas echt in Spiti, werd het alleen nog maar buddhistisch. Ook het landschap veranderde. De vallei was al een stuk nauwer en de begroeiing was duidelijk afgenomen. Na het plaatsje Spilo baande de weg zich al snel met allerlei bochten door een ruige en nauwe vallei. Na elke bocht was het uitzicht weer anders, maar steeds spectaculair. Veel ruimte voor bewoning was er niet meer. Bij het plaatsje Khab maakte de vallei een scherpe bocht noordwaarts. Met enige angst keek ik hier naar uit want de kaart gaf aan dat ik in 10 kilometer ruim 750 meter zou moeten klimmen, en dat is erg veel. Een Indiër die ik voor Recong Peo tegen kwam had me gezegd dat ik dat stuk niet zou kunnen fietsen maar eenmaal daar voorbij zou ik zo naar Leh rijden! Die Indiërs weten het wel! In het tweede deel van z'n bewering zou hij inderdaad ook gelijk krijgen maar niet in het eerste deel. Na de bocht werd de vallei een echte kloof waarbij de wanden van beide hellingen elkaar zowat raakte. De weg was in de rotsen uitgehakt waarbij de rotsen af en toe een dak boven de weg vormde. Na dit stukje begon de echte klim. Tot dan toe was de weg geleidelijk, al golvend, omhoog gegaan. Dit lijkt aantrekkelijk om te fietsen maar je rijdt continue vals plat omhoog en dat is niet altijd prettig. De klim van Khab naar Ka ging met haarspeldbochten omhoog en stond aangegeven als de "Ka Zigs". Het was eigenlijk heerlijk om haarspeldbochten te rijden en in no time zat ik een stuk hoger en dan terug kijkend zag ik al die lussen beneden die ik al gereden had en dat gaf dat een erg goed gevoel. Met de "Ka Zigs" was ik er echter nog niet. Een aantal kilometer verder kwamen er nog meer haarspeldbochten. Eenmaal daar boven aangekomen leek het wel alsof ik op het dak van de wereld reed! Er waren nauwelijks hoge toppen te zien maar ik kon wel diep de vallei in kijken. Een fantastische omgeving! Natuurlijk waren er wel hogere toppen maar die gingen schuil achter wat lage heuvels. Even later stond ik dan weer onderaan een traject met haarspeldbochten. De zeven slingerende kilometers brachten me naar het plaatsje Nako. Hier nam ik nog maar weer 's een dag rust. Nako is een mooi gelegen dorpje en het was ook wel weer leuk om wat andere reizigers te ontmoeten en te spreken, die waren er hier in een onverwacht groot aantal.

De eerste kilometers na Nako waren veel besproken geweest onder de reizigers. Hier was nl. een volgende aardverschuiving, een serieuze. De aardverschuiving had drie jaar eerder plaats gevonden en over een traject van zo’n drie kilometer was de weg volkomen weg. Ook nu ging de fiets en de bagage met een kabelbaantje naar de andere kant. Voor een motorrijder die na mij kwam werd het bakje er af gehaald en de motor werd gewoon aan de katrollen opgehangen. En dat ging goed. Om naar de overkant te komen moest ik nu eerst afdalen en daarna weer omhoog. Aan de andere kant ontmoette ik de eerste collega fietsers, drie fietsers die met een BOB-trailer (een aanhangwagentje) fietsten, zonder bagage op de fiets zelf. Zo'n 20 kilometer verder ontmoette ik de meest indrukwekkende fietser tijdens mijn tocht: een 63 jarige Indiër die op een Hero fiets (met versnellingen) de Himalaya van Jammu tot in het noord-oosten van India wil doorkruisen. Petje af! Ik moet er zelf niet aan denken dat ik nog 30 jaar moet fietsten! Nog dezelfde dag verliet ik Kinnaur en reed ik Spiti binnen. De Spiti vallei komt uit op de Kinnaur vallei en de Spiti rivier stroomt hier in de Sutlej. De weg door Kinnaur was erg goed met hier en daar wat slechte stukken. Het is een NH die doorgaat naar de grens met Tibet. Dat laatste stukje is echter niet toegankelijk voor toeristen, waarschijnlijk zelfs niet voor Indiërs. Volgens mij is het de route die door pelgrims gebruikt mag worden op hun tocht naar Mount Kailash en het Manosarovar meer in Tibet. De weg door Spiti was direct al van mindere kwaliteit maar nog altijd goed berijdbaar. De Spiti vallei had wel wat weg van het laatste stuk van Kinnaur: ruig en geen begroeiing. De Spiti vallei is echter wat breder en zijn er hier en daar plateaus, zowel in de vallei als wat hoger gelegen, waardoor er de mogelijkheid is voor bewoning en om akkers aan te leggen. Spiti deed me ook direct al veel meer aan Ladakh denken, het is vrijwel volledig buddhistisch, de mensen hebben ook een Tibetaanse uiterlijk, de huizen zijn in dezelfde stijl gebouwd (vierkant; witte muren; ramen met houten kozijneen; plat dak waar op de rand mest, hooi of takken liggen); het gebied heeft ook historische banden met Ladakh en behoorde ooit tot hetzelfde koninkrijk.

Inmiddels was ik al geklommen naar zo'n 3.000 meter, vrijwel steeds dus geleidelijk. Vanuit de vallei bezocht ik Dhankar gompa (een gompa is een buddhistisch klooster) op bijna 3.900 meter en Key/Kibber. Key is een gompa dat evenals Dhankar spectaculair is gelegen; Kibber is een plaatsje op 4.200 meter, dat op de handelsroute voor zout naar/van Tibet lag. In Kibber hield ik nog maar weer 's een dagje rust. De uitstapjes naar Dhankar en Kibber waren niet alleen om deze plaatsen te bezoeken maar waren tevens goed om te acclimatiseren. Door de grotere hoogte is er minder zuurstof in de lucht en dat kan tot hoogteziekte lijden. Het is daarom goed om langzaam te stijgen en daarom was deze route ook beter dan de route Manali - Leh aangezien je dan in korte tijd veel stijgt. Niettemin voelde ik me in Kibber toch niet helemaal optimaal en ook op de ochtend van vertrek was het nog niet 100%. Misschien was het dan toch de hoogte of was een beetje vermoeidheid na bijna 3 weken en bijna 1.000 kilometer fietsen, ik weet het niet. Misschien had ik tijdens de rustdag wel last van ontwenningsverschijnselen van het fietsen gekregen want de dag van Kibber naar Losar reed ik weer als een trein! Het was niettemin een zware dag met de laatste 30 kilometer voornamelijk een hele slechte weg. Vanuit Losar ging het verder over de slechte weg naar de eerste pas, de Kunzum La ("la" betekent "pas") op 4.551 meter. De weg maakte het een zwaar traject want er hoefde niet serieus geklommen te worden, in 18 kilometer ging het iets minder dan 500 meter omhoog. De pas is de scheiding tussen Spiti en Lahaul. Zo geleidelijk als de beklimming was, zo snel daalde het af via een traject vol haarspeldbochten. Ook dat ging weer over een slechte weg, dus zo snel ging het uiteindelijk toch weer niet. De eerste ruim 50 kilometer na de pas waren heel erg slecht en vooral ook stoffig. Het gedeelte van Lahaul tot aan de weg 'Manali - Leh' was ook weer heel erg ruig en voor zover ik kon zien, onbewoond. Wel liepen hier schaapherders met hun kuddes, al was de begroeiing minimaal.

De dag nadat ik de pas over was gegaan kwam ik op de weg 'Manali - Leh', net voorbij Rohtang La, de eerste pas op deze route, de pas die ik had gemist doordat ik via Kinnaur en Spitti was gegaan. Maar ja, het is een pas van lager dan 4.000 meter en telt dus eigenlijk niet ... Eenmaal op de weg naar Leh had ik weer goed asfalt onder de banden en dat reed toch wel weer een stuk makkelijker. Een nadeel was dat er ook direct veel meer verkeer was. Al golvend (met af en toe toch nog wel flinke klimmetjes) daalde het af tot Tandi. Volgens de kaart zou ik nu weer een verschrikkelijke klim moeten maken: in acht kilometer bijna 800 meter omhoog naar Keylong. Als de kaart gelijk heeft dan was ik in een bere-conditie want voor ik het wist was ik in Keylong. Hier had ik de eerste overnachting op weg naar Leh.

Met de acht kilometer omhoog naar Keylong had ik ook het eerste stukje klimmen op weg naar Leh te pakken. Voor me lag het zwaarste deel van de reis, nog 4 hoge passen in een ruig en onbewoond gebied. Tussen de Baralacha La en de Taglang La, de laatste pas voor Leh, zijn er geen vaste nederzettingen, er zijn slechts diverse tentenkampen voor de wegwerkers, het leger en tent-restaurantjes voor de vrachtwagenchauffeurs en de reizigers op weg naar Leh. De weg moet elk jaar opnieuw worden hersteld nadat vorst, sneeuw, ijs, water, lawines en aardverschuivingen het wegdek hebben vernield. In de winter, van zo ongeveer half oktober tot en met begin juni, is dit gebied onbewoonbaar en zijn de passen dicht gesneeuwd. De wegwerkers komen voornamelijk uit Nepal, Bihar en Jharkand, en werken hier onder barre omstandigheden. De meesten groetten niettemin uitbundig.

Vol goede moed begon ik aan mijn eerste pas op het traject naar Leh. Vanuit Keylong was het 54 kilometer naar Zing Zing Bar, een leger- en wegwerkerskamp, waar ik in de kamer bij twee officieren overnachtte. Nog 22 kilometer restte me naar de Baralacha La op 4.892 meter. Het eerste gedeelte ging goed maar dan de laatste kilometers waren dan toch wel erg zwaar, vooral de laatste kilometer, omdat ik dacht dat de pas één kilometer eerder zou liggen. De weg was ook niet zo goed meer, ook na de pas niet. Maar na een pas gaat het naar beneden en dus klaagde ik niet zo over de weg. Na de afdaling werd de weg ook beter en uiteindelijk kwam ik, na nog een paar korte klimmetjes, op de vlakte van Sarchu.

In Sarchu hield ik een dag rust bij een tentenkamp met restaurantjes. Voor me lagen nog drie passen en ik had inmiddels alweer een paar zware dagen achter de rug sinds mijn vertrek uit Kibber. Van te voren had ik me voor genomen om het rustig aan te doen, een beetje met de Olypische gedachte in m'n achterhoofd: meedoen is belangrijker dan winnen, in mijn geval: naar Leh fietsen is belangrijker dan het in een razend rap tempo te doen. Ik was van plan om op diverse plaatsen te stoppen en rond te kijken. Door Kinnaur, Spiti en Lahaul was ik redelijk op mijn gemak gereist al had ik gedacht ook daar toch wat meer dagen niet fietsend door te brengen. De fietsdagen waren op een paar uitzondering na, niet lang geweest. Een aantal dagen had ik 's ochtends eerst wat rond gekeken voordat ik op de fiets stapte. Op de twaalf fietsdagen door Kinnaur, Spiti en Lahaul, waarin ik iets meer dan 700 kilometer had gereden, had ik drie rustdagen opgenomen. Nu ik eenmaal op de route naar Leh zat wilde ik dit over traject toch eigenlijk niet langer doen dan noodzakelijk. Ik keek er inmiddels ook wel naar uit om in Leh aan te komen. ´s Nachts werd het best fris en overdag uit de zon was het ook niet altijd heel aangenaam en de inmiddels ruim 3 weken fietsen begonnen nu ook wel te tellen, ook al voelde ik me nog steeds goed en fit. Ik genoot ook nog steeds met volle teugen van het landschap waar ik door fietste. De fiets hield het gelukkig ook goed. Voor vertrek had de Koga een goede beurt gehad en eigenlijk verbaasde het me dus ook niet dat ik geen problemen kreeg. Van Continental had ik banden gekregen om te testen en ook die hielden het goed. Inmiddels had ik toch al heel wat kilometers slecht wegdek weg gereden.

Ladakh is een woestijn op grote hoogte. De Himalaya vormt een barriere tegen de regen en de regenval is zo laag dat het officieel een woestijn genoemd mag worden. De Baralacha La vormt de regenscheiding. Dat betekent niet dat er nooit regent valt maar het gebied na de Baralacha La kent niet de moesson die voor de pas juist in deze periode voor regen zorgde. Na de pas bevond ik me dan ook in woest en kaal berglandschap. Al op weg naar de pas had de begroeiing in de eerst zo vruchtbare vallei langzaam plaats gemaakt voor kale hellingen. Na de Baralacha La werd ik omgeven door grillige, kale bergen in allerlei kleurschakeringen. Ik fietste hier door een enorm indrukwekkend landschap. Ondanks de grote hoogte lag er alleen op de hoogste toppen sneeuw. Door de zuidelijkere ligging, ligt de sneeuwgrens in de Himalaya veel hoger dan in de bergen in Europa. Het smeltwater zorgde er voor dat er in dit landschap dan toch hier en daar nog wel wat kon groeien, zij het dat het door de grote hoogte wel voornamelijk bij gras en kleine plantsoorten bleef. Dieren zag ik nauwelijks, slechts vogels en insecten, alhoewel er ook wel groter wild moet zitten. Verbaasd was ik om ruim boven de 4.500 meter nog hoppen te zien.

Na de rustdag moest ik er weer volop tegenaan. Tussen Sarchu en het volgende tentenkamp in Pang was niets, behalve dan 2 passen. Ik had dan wel een tent en kookspullen bij me en zou dus de 76 kilometer ook in tweeën kunnen knippen, maar liever koos ik voor het gemak van de tent-restaurantjes. Wel had ik Sarchu in de tent overnacht en dat zou ik in Pang ook weer doen. Kort na Sarchu reed ik Ladakh binnen. In ieder geval had ik dat dan al bereikt! De eerste 24 kilometer na Sarchu waren makkelijk, redelijk vlak, per saldo zelfs iets dalend. Opnieuw wachtten er een heel stel heerlijke haarspeldbochten op me, nu aangeduid me de "Gata Loops". De 21 haarspeldbochten in 9,5 kilometer reed ik vrij gemakkelijk maar eenmaal op een geleidelijk stijgende weg werd het toch weer zwaar. Het weer, dat tot dan toe heel goed was geweest, liet het wat afweten. Het regende en het was aardig fris. De Nakila pas (ik weet niet of het nou Naki La of Nakila La is) was nog net onder de 5.000 meter maar na de afdaling van een paar kilometer ging het omhoog naar de Lachalung La op 5.060 meter. Deze pas kwam gelukkig een paar kilometer eerder dan verwacht want ik begon er nu toch aardig doorheen te zitten. De afdaling naar Pang was schitterend, door een nauwe vallei, eigenlijk een kloof.

De dag na Pang deed ik het wat rustiger aan. Vanuit Pang ging het op weg naar de laatste pas op de route naar Leh. De afstand naar die pas was echter iets te groot om in één dag te rijden, ook al lag er een groot plateau voor de laatste klim. De ochtend bleef ik in Pang en met ongeveer zes liter extra water vertrok ik naar het More plateau. Ik wist dat deze vlakte zou komen, maar niet dat het eerst nog een 6,5 kilometer klimmen was om op deze vlakte te komen. Met 6 liter extra water, dus 6 extra kilo gewicht, was ik daar eigenlijk niet zo blij mee. Gaandeweg viel het allemaal best mee en even later stond ik dan aan het begin van de ruim 40 kilometer lange vlakte. Ik kon me deze vlakte nog goed herinneren van de Ladakhreis die ik met Ashraf had gemaakt in 2001. Ik was erg benieuwd hoe het zou zijn om hier te fietsen op ongeveer 4.500 meter. Ik was dan al wel hoger geweest maar het was dan moeilijk te zeggen of je last hebt van de hoogte of niet. Hoofdpijn of andere verschijnselen die met de hoogte te maken kunnen hebben, had ik dan wel niet gehad maar het gebrek aan zuurstof kon toch wel parten spelen. Tijdens een beklimming is je ademhaling natuurlijk sowieso veel sneller dan normaal en het is dan ook moeilijk aan te geven of dat door de hoogte komt. Het fietsen op het More plateau ging zonder moeite en zonder zwaarder te moeten ademhalen dan normaal. De route via Kinnaur en Spiti was dan ook een goed voorbereiding geweest. Hierdoor was ik tenslotte al lange tijd boven de 3.000 meter geweest met uitstapjes naar rond de 4.000 meter.

Het More plateau en de omliggende heuvels was plotseling een vruchtbare streek in het dorre woestijnlandschap. Het was zoals ik me Mongolië voorstel. In de zomer trekken nomaden naar het More plateau toe om hun kuddes te laten grazen. In de winter is ook dit gebied onbewoond. Op diverse plaatsen stonden tenten en ik mocht mijn tent bij één van hen opzetten. Tegen het einde van de middag was ik getuige van een fantastisch schouwspel. Over de heuvels die het plateau begrenzen kwamen de kuddes terug naar de vlakte. In "no time" waren de hellingen volledig bedekt met yaks (een soort harige koe), geiten en schapen. Het tafereel duurde wel een uur. Naast deze dieren hebben de nomaden ook paarden. Die avond was de eerste keer dat ik mijn eigen maaltje bereidde. Het was geen culinair hoogstandje: twee pakjes "Maggi 2 minute noodles". Voedzaam en snel en dus lag ik ook vroeg in mijn slaapzak. Buiten was het koud en ook in mijn slaapzak werd het niet aangenaam warm. De volgende ochtend zat er op de buitenkant van mijn tent zelfs ijs!

Nog 15 vlakke kilometers wachtten er voor me alvorens ik met de klim naar de laatste en hoogste pas, de Taglang La, kon beginnen. Al vanaf de vlakte kon ik de pas zien liggen en was het mogelijk de weg voor een deel te volgen. De 18 kilometer lange klim was zonder haarspeldbochten maar liep gelijdelijk omhoog langs de bergen naast de pas. De weg was goed berijdbaar, ook al was het traject grotendeels ongeasfalteerd. Iets meer dan de helft van de klim trapte ik de kilometers redelijk gemakkelijk weg. Daarna werd het zwaarder. Dat maakte me niet meer zoveel uit, ik wist nu dat ik het zou halen, al zou ik nog 10 keer moeten pauzeren. Slechts enkele extra ingelaste fotostops waren voldoende om de pas te bereiken. Vijf minuten later dan ik gedacht had, om 12:05 uur reed ik de pas op. Ik bevond me op 5.317 meter (volgens een andere kaart op 5.360 meter en volgens de Lonely Planet op 5.328 meter). De vuist ging de lucht in: na zo'n 1.400 kilometer had ik de Himalaya overwonnen, Leh lag aan mijn voeten. De vermoeidheid was ook in één keer verdwenen en alle kilometers die ik tot nu toe geklommen had stelden opeens eigenlijk toch niet zo veel voor. De pas bood schitterende uitzichten naar het noorden en zuiden: een wereld van bergtoppen in allerlei bruin-rode kleuren, sommige met een toefje wit. Vlak naast de pas lag een gletscher maar de pas zelf was volkomen sneeuwvrij. Tijdens de beklimming was het af en toe best fris geweest, voornamelijk door de wind op mijn bezwete lichaam. Hier op de pas viel de temperatuur wel mee. Na zo 45 minuten, waarin ik uiteraard de nodige foto's maakte, was het tijd om de afdaling aan te vangen. De eerste kilometers was de weg enorm slecht maar waren wel vlak. Met een enorme lus zocht de weg naar een goede plek om af te dalen. Na een afdaling van 22 kilometer via haarspeldbochten kwam de weg op de bodem van de vallei uit. Hiermee was de het dalen nog niet afgelopen maar verliep het meer geleidelijk. Ik kwam nu weer in de bewoonde wereld terecht. Kleine dorpjes met Ladakhi huizen met gebedsvlaggetjes (vlaggetjes in blauw, wit, rood, geel en groen waar buddistische gebeden op staan die opstijgen als de vlaggetjes door de wind worden bewogen), gompa's, gebedsmuren (stenen muren met platte stenen waren buddhistische gebeden op staan), chörtens (stupa's) en grote gebedsmolens (een grote, staande cylinder waarin een gebedsrol in zit, als de gebedsmolen gedraaid wordt stijgt het gebed op). Mensen waren op de akkers aan het werk. Aan het eind van de dag kwam ik in de Indus vallei in Upshi en daarmee was de afdaling beëindigd. Ik bevond me nu op bijna 3.400 meter, 1.900 meter lager dan een paar uur daarvoor.

Vanaf Upshi was het de volgende dag een redelijk eenvoudige tocht naar Leh. Het traject door de Indusvallei was niet het mooiste deel van de reis. De vallei is vrij breed en biedt veel gelegenheid voor de mens om het naar zijn hand te zetten en dat was niet altijd op de meest fraaie wijze gebeurt. Op veel plaatsen gaf de vallei dan ook een rommelige indruk. Daarbij passeerde ik grote legerplaatsen. Het leger is flink vertegenwoordigd in Ladakh. De hele regio is een nogal gevoelig gebied. In de jaren '60 hadden de Chinezen zonder dat de Indiërs het hadden gemerkt, een stuk van Ladakh ingepikt. Door dat gebied ligt nu de weg van Kashgar naar Lhasa. Inmiddels hebben de Indiërs en de Chinezen hun geschil om het Aksin Chin plateau wel bijgelegd maar niettemin wordt het gebied goed in de gaten gehouden. Meer dreiging komt er echter van Pakistaanse zijde. Na de scheiding van het Brits-Indische rijk, in India en Pakistan, ontstond er direct al onenigheid om Kashmir. Ladakh dat nu tot de Indiase deelstaat Jammu & Kasmir (J&K) behoort, valt ook onder het betwiste gebied. De Indiërs claimen een deel van Pakistan en andersom claimen de Pakistani een deel van J&K. Een officiele grens is er ook niet, wel een bestandslijn, de 'Line of Control' (LoC). Het gehele gebied rond de LoC is een gespannen gebied en dagelijks vinden er ergens langs de LoC wel schermutselingen plaats. In Ladakh zelf merk je, behalve de grote militaire aanwezigheid, niets van enige spanning.

De route door Kinnaur, Spiti en het eerste deel van Lahaul had ik de weg als het ware voor me alleen gehad, deels dankzij de aardverschuivingen. De route naar Leh was een stuk drukker. Convooien van het leger reden af en aan met manschappen en bevoorradingen; brandstofwagens brachten benzine, diesel en kerosine voor de komende winter naar Ladakh en daar is heel wat van nodig; daarnaast waren er de bussen en taxi's die Ladakhi's en vooral ook toeristen van en naar Ladakh brengen. Op het lange traject door de bergen verspreidde al dit verkeer zich redelijk en kon ik meestal toch in alle rust van de omgeving genieten. Nu in de Indusvallei was het toch een stuk drukker door alle bedrijvigheid die hier plaats vond.

Langs de gompa's van Stakna, Thikse en Shey, allen op heuvels gelegen in de vallei, reed ik naar Leh. Leh zelf ligt niet echt in de vallei en er moesten dan nog zo'n zes kilometer geklommen worden. Ik had me voorgesteld om me met mijn fiets te laten fotograferen bij de kilometerpaal "Leh 0 km", maar onverlaten hadden dit paaltje omver gehaald. Veel deerde het niet, ik was tenslotte in Leh en daarmee had ik een zware maar mooie tocht volbracht.

Een paar dagen rust waren wel op z'n plaats. Ik was ook wel blij dat het er op zat. Ik had genoten van de uitzichten, van het landschap en ook van het klimmen en dalen maar het was ook wel zwaar geweest. Ik was vier weken onderweg geweest waarin ik ruim 1.500 kilometer had weg getrapt en zeker niet de makkelijkste kilometers. Ik wist zelfs niet of ik nog wel de tocht naar Srinagar en Amritsar wilde vervolgen. Daar zou ik de komende dagen wel over na kunnen denken. Eerst moest ik maar 's goed eten, een niet vervelende opdracht. Tijdens andere fietsreizen kwam het nog wel eens voor dat ik me tijdens het fietsen wat slap voelde omdat ik te weinig at en/of dronk. Dit wilde ik deze rit voorkomen. Gedurende de tocht had ik dan ook zeker goed gegeten en gedronken. Op de meer toeristische plaatsen ook vaak nog wel lekker maar in de tent-restautantjes was het meestal niet veel bijzonders. Het prettige van de bergen is dat er goed fietsvoer te krijgen is. De lokale gerechten bevatten veel deeggerechten zoals chowmein (gebakken noodles), thukpa (een noodle soep), of lekkerder, thentuk (een noodlesoep met platte noodles). De tent-restaurants hadden in het algemeen alleen rijst, dal en groenten op het menu staan en daar rijd ik toch wat minder goed op. Dan waren de bekende "Maggi 2 minute noodles", er ook in het algemeen te krijgen waren, nog beter maar niet veel lekkerder. Verder hadden de "glucose-biscuits" van Parle-G en Brittania me er doorheen geholpen. In Leh was er weer volop keuze uit uit allerlei gerechten en snacks en kon ik me op elk moment van de dag tegoed doen aan de verschillende lekkernijen.

In Nako had ik een Indiase jongen ontmoet die al "back-packend" zijn eigen land aan het verkennen was. Hij had hier zelfs de voor Indiërs ongebruikelijke stap voor genomen om zijn baan op te zeggen. Na Nako kwam ik hem in de Spiti vallei nog een aantal malen tegen en we hadden afgesproken om elkaar in Leh opnieuw te ontmoeten. Samen zouden we dan naar de Nubra vallei kunnen gaan. Deze vallei ligt nog weer een berg-range verder en gaat over de hoogste berijdbare weg ("the highest motorable road") ter wereld. Toen ik in '94 voor het eerst in Ladakh was, was deze vallei net open gesteld voor het toerisme maar op dat moment had ik geen tijd om de vallei te bezoeken. Sindsdien wilde ik graag naar de Nubra vallei en dit was dé gelegenheid. De Nubra vallei geeft toegang tot de Siachen gletscher en die ligt op een strategisch punt op de LoC. Dat was dan ook de reden dat de vallei lange tijd niet voor het toerisme toegankelijk was. De Siachen gletscher ligt op zo'n 6.000 meter hoogte en er zijn diverse legerkampen gevestigd. Het is geen pretje om daar gelegerd te zijn. Jaarlijks komen er wel een aantal soldaten om door de kou. Daarnaast komen er dan ook nog eens soldaten om tijdens schermutseling rond de LoC. Zo kost deze oorlog de Indiase bevolking meer dan "slechts" de 1 miljoen US dollar dag die er voor wordt uit gegeven! En dat terwijl de inwoners van beide landen ooit samen in één land hebben gewoond. Zo ver als de Siachen gletscher konden wij, helaas, niet komen. Eigenlijk was er maar een klein deel van twee valleien open en dat gebied was niet eens zo bijzonder. De valleien waren vrij breed en deden mij rommelig aan. In één van de valleien is een echte woestijn met zandduinen en kamelen. Daar had ik me wel wat meer van voorgesteld. Het bleek echter slechts om een klein gebied te gaan met kleine zandduintjes. Grappig maar zeker niet spectaculair.

Inmiddels was het toch weer gaan kriebelen om op de fiets te stappen. Eerst wilde ik maar een trainingsritje maken alvorens ik de route naar Srinagar zou vervolgen. De uitdaging om de hoogst berijdbare weg ter wereld te rijden was natuurlijk groot en dus stapte ik de dag na terugkomst uit de Nubra vallei op de fiets om de route naar de pas, de Khardung La, opnieuw te rijden. Het was 40 kilometer vanaf Leh en alle 40 kilometer gingen omhoog (op een paar kleine vlakke stukjes in het begin na). Zonder bagage reed het natuurlijk een stuk makkelijker dan met, dat scheelt toch een kleine 25 kg (ik had wel plakspullen, wat eten en wat warme kleren meegenomen). De eerste helft reed ik vrij gemakkelijk, daarna werd het wat zwaarder; de laatste 14 kilometer was de weg ook niet meer geasfalteerd. De weg slingerde langs de hellingen van de bergrange ten noorden van Leh omhoog. Tot op een paar kilometer voor de pas had ik nog uitzicht op de Indusvallei. Het kostte me zo'n 4 uur om de pas te bereiken op 5.600 meter, zo'n 2.100 meter hoger dan Leh. De afdaling ging natuurlijk een stuk sneller maar zo heel snel ging dat toch ook weer niet. De slechte weg in het begin en de vele haarspeldbochten beperkten de snelheid aanzienlijk.

Na nog een dagje rust begon ik dan toch aan de terugtocht via Srinagar. De eerste 100 kilometer gingen door de Indusvallei. Sommige trajecten waren nogal saai maar er zaten enkele mooie stukken tussen zoals vlak voor Nimmu waar de weg vanaf een plateau terug ging naar de Indus die daar door een nauwe kloof gaat waar maar nauwelijks ruimte is voor een weg. Op dat punt komt ook de Zanskar rivier in de Indus, beide rivieren hebben een andere kleur wat het tot een bijzondere samenvloeiing maakt. In Khalsi, waar ik aan het einde van de eerste dag aankwam, was ik tot iets onder de 3.000 meter gedaald. Iets verder verliet ik de Indusvallei en begon het te klimmen. Eerst met veel haarspeldbochten een klim van zo'n 20 kilometer naar Lamayuru, daarna restten er nog elf kilometer naar de eerste pas op de route naar Srinagar, de ruim 4.100 meter hoge Fatu La. Na de afdaling overnachtte ik in Bodh Karbu in een gompa.

Ook de volgende dag stond er weer een pas op het programma. Dit was een relatief eenvoudige pas. Vanaf de vallei was het maar 7,5 kilometer klimmen naar de Namika La op 3.760 meter. De afdaling bracht me in Kargil. Kargil ligt een paar kilometer van de LoC en ook het traject erna liep dicht langs de bestandslijn. Het Indiase leger waarschuwde daar ook met borden voor: "Caution - you are under enemy observation". Er waren een paar van deze korte trajecten die steeds afgesloten werden met het bord "Now you are out of the danger zone". Het was een mooie route door een nauwe vallei. In de vallei was, waar dat mogelijk was, wat begroeiing maar de bergen waren kaal en ruig, tenslotte bevond ik me nog steeds in Ladakh. Vanaf Kargil ging het geleidelijk omhoog naar de derde en laatste pas voor Srinagar, zo'n 100 kilometer. Dat maakte deze pas, de Zoji La, met 3.530 meter de laagste van de passen die ik tot dan toe had gereden, toch nog best zwaar. Daarnaast begon ik de kilometers van de vorige dagen nu ook wel te voelen. Ik overnachtte in Drass dat de twijfelachtige eer heeft de koudste plaats in India te zijn en tevens de op één na koudste, permanent bewoonde plaats ter wereld. In 1995 werd het er 60°C onder nul! Het lijkt me geen pretje om daar te wonen. Gelukkig werd het die nacht niet zo koud.

Het was nog zo'n 30 kilometer van Drass naar de pas. Tot dan toe had de weg de Drass rivier gevolgd maar even voorbij Drass klom de weg met enkele haarspeldbochten naar een andere vallei. Het echte klimmen was daarmee ook wel over maar niettemin ging het nog enkele kilometers langzaam verder omhoog. Veel passen gaan een kam over en het is dan ook duidelijk wanneer je op de pas bent. De Zoji La ligt in vallei en het was, behalve het bord dat de pas aangeeft, alleen goed zichtbaar aan de stroompjes die vanaf de pas lopen, waar ik de pas gepasseerd was. Op het ene moment reed ik langs een stroompje stroom opwaarts. Even later volgde de weg een stroompje stroom afwaarts. Hiermee was ik dan de Himalaya opnieuw overgegaan, de Zoji La was de laatste hoge pas die ik op deze route zou rijden, de negende pas. De kilometers voor de pas was er al lichte begroeiing op de hellingen maar nadat de vallei een bocht maakte en zich opende bevond ik me opeens in een hele groene wereld. De Zoji La vormt een echte, duidelijke scheiding tussen het vruchtbare Kashmir en het woestijnachtige Ladakh. Een andere verandering had zich al voor Kargil voorgedaan. Het buddhisme had plaats gemaakt voor de islam. Dat was niet alleen duidelijk in de moskeeën die nu in de dorpjes stonden i.p.v. de gompa's, en in het Urdu schrift, een iets aangepast Arabisch schrift, i.p.v. het Ladakhi schrif, maar ook in de mensen. De moslims komen uit een hele andere bevolkingsgroep en hebben hardere gezichten in vergelijking met de Ladakhi die de zachte en vriendelijke gezichten hebben. De mannen droegen lange baarden en de vrouwen, uhmm, die waren er opeens uit het straatbeeld verdwenen en als ze wel dan toch de straat op gingen liepen ze veelal gesluierd.

Na een overnachting in Sonamarg kwam ik in Srinagar aan. De stad zelf is niet zo heel interessant maar het ligt aan een mooi meer, het Dal meer. In de tijd van Brits-Indië was Kashmir een zelfstandige staat. De Britten vonden Kashmir wel mooi maar mochten er van de heersers van Kashmir geen huizen bouwen. De Britten waren ook niet dom en bouwden prachtige woonboten en gingen op het Dal meer en het kleinere Nagin meer wonen. De woonboten liggen er nog steeds en worden nu als hotels gebruikt. Ik vond een woonboot op het Nagin meer, een klein meer dat naast het Dal meer ligt. Ik was van plan om één dag rust te nemen in Srinagar maar het was er zo prachtig en rustig dat ik nog maar een dag extra bleef. Het meer zit vol ijsvogels en af en toe vlogen die gewoon door de huiskamer van de woonboot.

Ik was de Himalaya nu wel weer over maar zat nog altijd op zo'n 1.500 meter en om naar de Amritsar te gaan moest ik nog 2 bergruggen over. De eerste werd me wat makkelijk gemaakt. De weg liep nl. door een tunnel. Er was wel een weg die over een pas liep maar dat was militair terrein en dus werd ik terug gestuurd door een aantal soldaten. Gelukkig al direct aan het begin van de weg. Na de tweede bergrug had ik gedacht in één keer naar de vlakte af te zullen dalen. Na een overnachting in Udhampur bleek het toch nog wat anders te zijn. Opeens bevond ik me in een laag heuvellandschap. Na alle hoge passen zou dat niet zo'n probleem moeten zijn. Alleen al door de verwachting van een lekkere vlakke route naar Amritsar na al het geklim zag ik toch als een berg op tegen al die heuvels. Het waren steeds korte klimmetjes: klimmen, dalen, klimmen, dalen, enz. Hierdoor was het onmogelijk om in een lekker ritme te komen. Bovendien was het weer ook niet zo gunstig, die ochtend had het flink geregend en onderweg begon het nogmaals te regenen. Maar ..., na de laatste klim brak de zon meteen door. De volgende ochtend, in Pathankot, kwam de regen echter weer met bakken uit de hemel. Tot mijn grote opluchting was de lucht al weer bijna volledig blauw nog voordat ik m'n tassen had ingepakt. De laatste 110, vlakke, kilometers naar Amritsar vormde geen probleem meer. Ik had deze route in 2000 al afgelegd in tegengestelde richting. Het was geen opwindend traject maar toen had ik het vooruitzicht dat ik de bergen in zou gaan en nu het vooruitzicht dat ik mijn tocht in Amritsar zou beëindigen en dat het een geslaagde tocht zou zijn. Bovendien wachtte er goud op me in Amritsar. De kilometers vlogen er dan ook af en om 14:30 uur op 24 september, na 2.574,5 kilometer te hebben gefietst in 164 uur en 10 minuten (dit voor de statistieken), reed ik het terrein van de Gouden Tempel op. De tocht zat er op. Het was zwaar geweest, het had me heel wat zweetdruppels gekost, maar het was elke zweetdruppel dubbel en dwars waard geweest.

De Gouden Tempel is het belangrijkste heiligdom in de Sikh-religie. Het is een tempel die op een eilandje staat in een vijver en die bijna volledig is bedekt met goud. In de zon blinkt de tempel schitterend en ook 's avonds met kunstverlichting is het een mooi gezicht. Rond de vijver staan witte gebouwen en loopt een gallerij, vanaf één zijde gaat er een brug naar de tempel. In de tempel ligt het heilige boek van de Sikhs, de Adit Grant Sahib. Ernaast zitten muzikanten die zingen en harmonium en een soort drum bespelen. De zang en muziek klinkt over het tempelterrein. Er heerst een vredige en spirituele sfeer.

In 2000 was ik vanuit Pakistan India binnen gekomen. De grens had ik toen dus al wel gezien maar niet de dagelijkse ceremonie van het sluiten van de grens. Dit lijkt misschien niet zo bijzonder maar bij de grens tussen India en Pakistan is dat het wel. Deze keer wilde ik dat dan ook wel zien. Ik was niet de enige, er waren nog een paar duizend (!) toeschouwers aan beide zijden van de grens. De grens was ook iets verandert. Indertijd stonden er aan beide zijden eenvoudige welkomstbogen. Nu stonden er stenen bogen en waren er tribunes gebouwd voor de toeschouwers om de ceremonie bij te wonen. De soldaten hadden harde hindi-popmuziek opgezet en vooral het manlijke deel van de toeschouwers danste hierop wat door de soldaten vervolgens weer niet werd toegestaan. Regelmatig werden er leuzen gescandeerd, ten gunste van het eigen land maar waarschijnlijk ook tegen de "vijand". Een aantal mannen liepen zo dicht mogelijk met een vlag naar de hekken die de echte grens vormen, om de "vijand" te provoceren. De eigenlijke ceremonie behelste het strijken van de vlaggen en het sluiten van de hekken. Hiervoor waren de grootste soldaten uit leger geselecteerd en zij waren in mooie uniformen gestoken. Met overdreven grote en fanatieke stappen werd naar de hekken geparadeerd waar een saluut gebracht werd aan een hogere militair. Dit gebeurde onder luid gejuich van de toeschouwers. Vervolgens werden de vlaggen gestreken en uiteindelijk werden de hekken gesloten. Eigenlijk was het zielig om te zien hoe fanatiek de mensen werden als het om de relatie tussen India en Pakistan gaat. Als show had het echter wel een hoge entertainment waarde. En in feite was het zelfs wel heel erg grappig. De twee aartsvijanden proberen met de parade indruk te maken op de ander en het moraal van de burgers hoog te houden maar tegelijkertijd moet er wel heel goed samen gewerkt worden tussen de soldaten van beide landen. Alles gebeurde namelijk synchroon en de vlaggen werden tegelijkertijd in het zelfde tempo gestreken en de hekken werden op het zelfde moment gesloten. Wie weet biedt dit toch nog enig perspectief voor de toekomst ...

Amritsar ligt op zo'n 500 kilometer van Delhi. Een peuleschilletje natuurlijk maar zonder uitdaging want het zijn 500 vlakke kilometers. Ik had mijn fietstocht dan ook in Amritsar beëindigd en voor het traject naar Delhi leek mij de trein dan ook een perfect vervoermiddel. Een nachttrein bracht me terug in Delhi. Nu zat het er dan echt op. Ik was terug waar ik begonnen was. De bergen tussen het Rode Fort en de Gouden Tempel waren bedwongen.

overzichtpagina || foto's || verslag









terug naar boven

© 2011 Mijn-eigen-website.nl